Met de steun van
de Vlaamse overheid en
de provincie Vlaams Brabant

"Als lid van vzw Leuven 2030 
draagt De Wissel vzw bij aan een
gezonde, leefbare en klimaat-
neutrale toekomst voor Leuven."

De Wissel-werking verbeteren (not to prove, but to improve)

Onderzoeksopzet

De Wissel wenst n.a.v. hun 25-jarig bestaan terug een onderzoek uit te voeren. Het voorliggend onderzoek betreft een evaluatieonderzoek niet om zaken te gaan bewijzen, maar om zaken te verbeteren. Of om het met de bekende woorden van Stufflebeam te zeggen ‘not to prove but to improve’. Eenvoudig gesteld betekent dit een zicht krijgen op “wat werkt en wat werkt niet'.
De Wissel neemt bij dit onderzoek het engagement naar al de deelnemers (meisjes, ouders, begeleiders, sponsoren, sector) in het project de conclusies van deze onderzoeksvraag in haar eigen werking te vertalen. Op deze wijze zal één concreet gevolg van het onderzoek de optimalisering van de werking van de Wissel als voorziening zijn.
De ervaringen van de meisjes zijn ook in dit onderzoek de aangewezen toetssteen. Bijkomend zullen tevens de ervaringen van hun ouders en contextsystemen afgetoetst worden.

 

 

Op basis van dit onderzoek wenst de Wissel een instrumentarium te ontwikkelen dat haarzelf zal toelaten deze bevraging bij de (ex)meisjes en de context op regelmatige wijze de komende jaren te organiseren. Dit gaat zowel over de specifieke vraagstelling als over de methodiek en de zogenaamde resultaatscriteria.

Voor de uitvoering van dit onderzoek vraagt De Wissel de medewerking van het onderzoeksinstituut het HIVA van de K.U.Leuven, die hieromtrent een ruime expertise heeft opgebouwd en ook inhoudelijke deskundigheid heeft inzake hulpverlening en maatschappelijke kwetsbaarheid. De wetenschappelijke begeleiding van het HIVA geeft meer garanties op objectiviteit, betrouwbaarheid en validiteit.
Gezien de beperkte timing en budget zal dit onderzoek wel in nauwe samenwerking dienen te gebeuren met De Wissel.

Wat

De centrale bedoeling van het evaluatieonderzoek is een verdere kwaliteitsverbetering van de hulpverlening/begeleiding. De centrale onderzoeksvraag van dit evaluatieonderzoek is dan ook :
Welke verbetervoorstellen voor de werkingen van De Wissel formuleren de meisjes/vrouwen zelf?
Bijkomende onderzoeksvragen zijn:
- in welke mate zijn de meisjes (ex-gasten) geïntegreerd in de maatschappij (op diverse levensdomeinen)
- hoe kijken ze (terug) naar hun verblijf in De Wissel (positieve en negatieve aspecten)
- welke factoren tijdens hun verblijf hebben een positieve invloed gehad op hun leven
- welke factoren tijdens hun verblijf hebben een negatieve invloed gehad op hun leven
- welke waren de sleutelmomenten voor een positieve of negatieve ommezwaai in hun leven
- hoe omschrijven de meisjes een gelukkig bestaan (wat is een ‘succes’) [1]
De Wissel wenst een welgekomen wissel op het ‘klassieke’ hulpverleningsaanbod te betekenen voor meisjes die ‘moeilijk te begeleiden’ zijn. De Wissel ambieert hiertoe een zorg die maximaal aansluit op de noden en behoeften van de hulpvragers zelf. De Wissel beoogt van bij de aanvang een sterke contextbetrokkenheid:
“Van bij het begin zal de context van het meisje mee in de begeleiding opgenomen worden. Progressief en zo snel als mogelijk zal het meisje en deze context, omwille van de opvoedende kracht die hierin schuilt, mee beslissen.” (uit de visie van De Wissel)

Deze betrachting (samen met de andere principes van het CANO-model) zal in het onderzoek worden afgetoetst: komen deze zaken voldoende aanbod, dragen deze bij om het eigen leven later uit te bouwen enz. Welke aspecten dienen zeker behouden te blijven, welke niet, welke hiaten zijn er nog in de begeleiding en aanbod van De Wissel enz.

Wie en hoe

Circa 350 meisjes zouden reeds in de voorbije 25 jaar De Wissel zijn gepasseerd. De Wissel heeft een goed adressenbestand terzake. Anderzijds gezien de context ook steeds intenser wordt betrokken in de begeleiding (niet in het minst de ouders) en ook meisjes in hun thuiscontext worden begeleid, is het aangewezen om ook deze ouders als stakeholder in het onderzoek te betrekken. Ditzelfde geldt ook voor het schoolsysteem en mogelijk andere contexten (bv. verwijzers, werkgevers).
Wat de meisjes betreft zijn er twee groepen: enerzijds de meisjes (en vrouwen) die De Wissel hebben verlaten en anderzijds meisjes die nog in een of andere werking of (thuis)/begeleiding zijn betrokken bij De Wissel. Deze laatste groep heeft nog een frisse en gedetailleerde kijk op de concrete werking van vandaag. De ex-gasten hebben daarentegen wat meer afstand kunnen nemen en kijken mogelijk op een andere manier terug naar hun verblijf van De Wissel (zie bv. vorig onderzoek: spijt over het gebrekkig schoolverleden). Het voorstel is aldus deze twee groepen in het onderzoek te betrekken en binnen deze twee groepen te diffentiëren naar het type begeleiding dat ze hebben gekregen. Een zo groot mogelijke diversiteit is hierbij aangewezen zodat de verschillende deelwerkingen aan bod kunnen komen.
Qua aantal opteren we ervoor om 50 meisjes/vrouwen te bereiken: 25 meisjes die nog betrokken zijn in de werking/begeleiding van De Wissel en 25 meisjes of vrouwen uit de groep die De Wissel hebben verlaten. De verblijvende meisjes worden bevraagd via de methode van verbetergroep(en). De 25 meisjes die geen band meer hebben met De Wissel worden individueel geïnterviewd Een vast stramien van vragenlijst (topiclijst) wordt telkens opgemaakt.
Vernieuwende émpowerende’ methodieken worden in dit onderzoek aangewend en uitgeprobeerd. Bovendien zulllen ‘ervaringsdeskundigen’ worden ingeschakeld voor de de afname van de interviews. Deze methode van ‘peer research’ past in de participatorische en emancipatorische visie van De Wissel..
Wat de context betreft lijken twee systemen zeker aan bod te moeten komen: de ouders en het schoolsysteem.
Voor de ouders nemen we een selectie uit de groep van meisjes die worden bevraagd (getrapte selectie), ook de mate waarin er met deze ouders een band werd uitgebouwd speelt uiteraard mee bij deze selectie. Qua aantal opteren we voor 10 ouderparen. Een mondelinge bevraging van deze ouders lijkt hierbij de aangewezen methode. Ook hiervoor wordt een topiclijst opgemaakt.
Voor het schoolsysteem betrekken we deze scholen waarmee momenteel wordt samengewerkt. We opteren hier voor de methode van focusgroep (met een maximumaantal van 12 personen). De onderzoeker coördineert dit focusgesprek aan de hand van een duidelijke agenda.
Eventueel kan nog een tweede focusgroep worden gepland met andere belangrijke contextsystemen.

Onderzoekstiming en fasering

Het onderzoek moet volledig afgerond zijn tegen de feestzitting op 29 maart 2007.

FacebookTwitterLinkedin