Met de steun van
de Vlaamse overheid en
de provincie Vlaams Brabant

"Als lid van vzw Leuven 2030 
draagt De Wissel vzw bij aan een
gezonde, leefbare en klimaat-
neutrale toekomst voor Leuven."

Opvoeden in een residentiële setting

1.1. Groei en ontwikkeling

De leefgroep in de Wissel probeert een kader te bieden waarbinnen jongeren in veiligheid kunnen groeien. Het is zoeken naar deels leeftijdsadequate, maar voornamelijk ontwikkelingsadequate veiligheid opdat een groeiproces mogelijk wordt. De discrepantie tussen leeftijd en ontwikkelingsniveau zorgt vaak voor een spanningsveld. Welke dingen kunnen we verwachten, wat is vanzelfsprekend en wat kunnen ze aan rekening houdend met de persoonlijkheidsontwikkeling (in de breedste zin van het woord) Hoe kunnen we een klimaat creëren waar adolescenten met uiteenlopende ik-sterktes zowel veilig kunnen groeien zonder te worden afgeremd in hun verantwoordelijkheidsgroei. Soms vergt dit een strakke, duidelijke structuur die zeer ik-dragend is. Op andere momenten is er nood aan een structuur die de ruimte laat waar groep en individu kunnen bewegen, groeien, spreken.
Het residentieteam staat voor de uitdaging flexiebel op zoek te gaan naar de noodzaak van de groep, de individuen. De organisatie en de structuur is niet ten voordele van de leefgroepbegeleiders, maar wel ter ondersteuning van de groei van de jongeren. Het is dan ook vanzelfsprekend dat er zeer regelmatig de vraag moet gesteld worden, waar zijn we mee bezig? Biedt de huidige structuur genoeg draagkracht of werkt het te bevoogdend?

We zullen net zoals in het ‘natuurlijk’ opvoedingsproces een trapsgewijze groei zien:
1. een situatie die leidt tot frustratie en kwaadheid
2. therapeutische aanpassing van de omgeving
3. ondersteunend aanbod om de situatie be-grijpbaar te maken
4. aanpassing van de jongere
5. weer los laten en de kans geven
6. weer frustratie …

Het daagt ons uit de jongeren de kans te geven in situaties terecht te komen waar ze kunnen leren. Leerkansen liggen niet in de absolute veiligheid maar ook niet in de hysterie of de angst. Het is een moeilijk evenwicht om de jongeren enerzijds voldoende veiligheid te geven en anderzijds niet te veel frustraties en angsten. Enkel op dat kantelpunt is er de mogelijkheid om te leren (cfr stretchzone/ zone van de naaste ontwikkeling).

1.2. Onthaal en ontmoeten

Een belangrijk aspect van de veiligheid is het gevoel dat dit een plek is waar ze mogen zijn. Dit maakt dat we hen constant moeten onthalen en laten voelen dat ze er mogen zijn. Sommige jongeren testen deze zekerheid uit en gaan over de grenzen van het ‘normale’. We moeten ons bewust zijn dat ze dit doen en gaan blijven doen. Toch proberen keer op keer een plek te creëren waar ze welkom zijn, waar exclusie vermeden wordt.

Ontmoeten en echtheid in relatie tot de jongeren. Ont-moeten is een relatie aangaan waar geen dwang in verweven zit. Om dit te realiseren moeten we spreken en samenleven vanuit een tekort-aan-betekenis. Hij spreekt op een dusdanige manier dat hij de vrije plek van uit de schuifpuzzel niet monopoliseert. Hij laat blijken dat zijn verhaal niet ‘de’ waarheid is. Hij spreekt niet vanuit een gedefinieerd referentiepunt. De jongere krijgt zo de kans te spreken en de realiteit mee vorm te geven vanuit zijn eigenheid en zijn eigenheid vorm te geven vanuit de realiteit.

We zijn ook verantwoordelijk voor het creëren van de mogelijkheid tot ontmoeting. We zorgen er met andere woorden voor dat het gesprek mogelijk blijft en de taal gegarandeerd wordt. Een robuuste begeleidershouding is noodzakelijk om dit te verwezenlijken. De jongeren, waar het spreken vaak moeilijk is, testen de grenzen. Het is noodzakelijk dat de limieten gewaarborgd blijven.
Een bepalend aspect voor gezonde relaties en bijgevolg kwalitatieve ontmoetingen, is de plek die we als begeleiders innemen. Welke soort relatie, welke positie nemen wij in contact met de jongeren?

Begeleiding is ‘uitnodigend’. Ze moeten de jongeren uitdagen en uitnodigen tot spreken. Door het installeren van instituten, door het maken nieuwe instituten, door te spreken vanuit het-tekort-aan-betekenis nodigt de begeleider uit de jongere te spreken en te bewegen. Mentaal bewegen door mee de realiteit vorm te geven, maar ook vaak fysische beweging die het mentale mogelijk maakt.

1.3. Samen leven, samen spreken

We pogen een plek te creëren waar gesproken kan worden. Samen spreken betekent dat iedereen moet kunnen spreken. We gaan er dan ook vanuit dat er niet 1 waarheid bestaat en dat je moet spreken om er samen een te creëren. Vaak is het leven en spreken gestopt. De jongeren moeten de kans krijgen hierin te groeien en moeten een kader krijgen dat het mogelijk maakt, dat het veilig maakt. We kiezen om structureel vorm te geven aan het samenleven opdat het samen spreken en samen leven vorm kan krijgen. Dit omdat we erin geloven dat spreken, in de zuiverste zin van het woord, de kracht van ontwikkeling in zich heeft.

Dit betekent dat we bij onszelf moeten kijken naar onze manier van spreken, van in relatie treden. Er zijn veel valkuilen en moeilijkheden: bv.: denken in de plaats van de jongeren en bepalen wat goed is voor de jongeren en hun omgeving. Iedereen kan herkennen dat duidelijkheid voor iedereen belangrijk is om te functioneren. Het gevaar is dat we duidelijkheid en structuur verwarren met ‘denken in de plaats van’ en ‘bepalen wat goed of slecht is’. Begeleiders spreken met andere woorden ook uit een tekort. Ook hun woorden houdt een onzekerheid in. Ook zij leggen de werkelijkheid nooit definitief vast voor die jongeren.

Overal waar mensen samenleven is er nood aan duidelijkheid. Er is nood aan afspraken. Samen spreken over wat verwacht wordt, wat zinvol is, wat kan en wat niet. Het zijn afgesproken lijnen die uitgezet worden. Ze bieden duidelijkheid. De afspraken worden gemaakt door al de mensen die samenleven en zijn geldend tot dat er een nieuwe gemaakt worden. De afspraak kan dus steeds in vraag gesteld worden. Het is het collectief dat bevraagd wordt naar de zinvolheid en de betekenis van een afspraak. Zo ontstaat een levende dynamiek. Iedereen wordt geconfronteerd met de interne dialoog omtrent: wat vind ik belangrijk, wie ben ik hier, wat vindt de rest belangrijk, hoe kunnen we samenleven, hoe gaan we om met afspraken die met de voeten worden getreden, hoe ga ik er zelf mee om? Iedereen wordt uitgedaagd te verwoorden wat hij of zij belangrijk vindt en dit op een manier dat rekening gehouden wordt met de andere.

(…)

1.4. Individuele en collectieve betrouwbaarheid

Gezien de rol die we vervullen naar de jongeren, die meestal uit wegende problematische opvoedingssituaties komen, is er een grote noodzaak aan betrouwbaarheid. Betrouwbaarheid zorgt voor een stabiliteit en zekerheid die noodzakelijkheid is voor 'onzeker, onveilig, angstig' gehechte jongeren. We zien het als noodzakelijke voorwaarde om hen de kans te geven om positief hechtingsgedrag te stellen. Betrouwbaarheid stelt zich in eerste instantie in de relatie. Wie ben ik, wie ben jij? Is het willekeurig wat je doet, kan ik er op bouwen? Bevestig jij mijn wantrouwen? Iedereen heeft de opdracht individueel betrouwbaar te zijn. Iedere begeleider staat in relatie.

2. De organisatie van de leefgroep op basis van instituten en mediaties

De eenvoudigste definitie van een ‘instituut’ is deze die zegt dat een instituut een plaats is om de sociale uitwisselingen, het sociale verkeer, het samenleven te organiseren opdat het het spreken gegarandeerd is en gezonde relaties geïnstalleerd kunnen worden.

Een instituut heeft een mediërende rol. Voorbeelden van instituten zijn : een groepsgesprek over afspraken, een kookatelier, een tafelmoment. Tijdens zo’n institutioneel moment wordt er gesproken. Niet rechtstreeks over zichzelf, maar over de arbeid dat er daar geleverd moet worden (koken, de afspraken, het eten). Het geeft eenieder de kans zichzelf te tonen ten aanzien van deze arbeid. Er worden via een omweg kansen geboden te tonen; wat wil ik, wat kan ik, wat vind ik mooi, wat boeit mij, wie ben ik, …
Door het installeren van instituten wordt ruimte en tijd zo ingericht dat de relaties tussen bewoners en medebewoners een kans krijgen. De mensen die samenleven kunnen via deze instituten in contact treden waardoor er gesproken kan worden.

Een groep (bewoners en) medebewoners houdt zich bezig met het aanbrengen van nieuwe en veranderen of afschaffen van bestaande instituten. Het moeten instituten zijn die ‘werken’ voor het bestaande collectief.
(…)
Er zijn veel en verschillende instituten. Ieder instituut daagt de jongere op een andere manier uit. Als er verschillende instituten zijn, is de kans groter dat jongere ten minste één plek vindt waar hij zich goed voelt. Daarom is het onze opdracht de jongeren in beweging te krijgen. In beweging tussen de verschillende instituten, mentale en fysieke beweging. Door verplaatsing komen ze in contact met de verschillende sferen. Iedere sfeer is een nieuwe kans tot identificatie. Tot het vinden of creëren van nieuwe betekenissen, die hen vertellen wie ze zijn, hoe ze gepercipieerd worden.

FacebookTwitterLinkedin